JOACHIM KNIEPSTOF is een tekstloos verhaal dat is opgebouwd uit een stapeling van associatieve beelden die zijn aaneengeregen tot een raadselachtige geschiedenis. Als bij moderne poëzie of hedendaagse muziek ervaar je de onderlinge samenhang zonder dat je deze in woorden kunt vatten.

Het idee voor Joachim Kniepstof is zo’n 50 jaar geleden ontstaan en heeft in 2019 z’n weerslag gekregen in een flatbook dat beeldend kunstenaar Frank Porcelijn onder de alias Frapor heeft uitgegeven. In de tekeningen heeft hij talloze elementen gebruikt en verwerkt die ook voorkomen in zijn etsen, keramiek en beeldhouwwerken.

Wat je vindt op deze site

Op deze site – die vrijwel dagelijks wordt uitgebreid –  vind je alles wat er te weten is over Joachim Kniepstof: ontstaan van het boek, commentaren, observaties, publicaties,  gerelateerd tekenwerk en fimpjes.

Over het ontstaan van het boek

Het is 1967, ik ben twintig en zit op de kunstacademie. Opdracht voor de eerste zeefdrukles: ontwerp een opvallend affiche met een verrassende slogan. Ik teken een wijngaardslak zo groot als een paard met bovenop zijn schelp een jonge ruiter. Hij draagt een wonderlijke, breedgerande hoed, houdt met één hand de teugels vast en zwaait enthousiast naar ons met de andere. Het is de held van een denkbeeldige reeks stripverhalen. Langs de onderrand van de poster schrijf ik in kapitalen:

LEES DE AVONTUREN VAN JOACHIM KNIEPSTOF!

Dit is de enige zeefdruk die ik in mijn leven heb gemaakt en striptekenaar ben ik niet geworden. Maar het idee om ooit nog eens een beeldverhaal te maken, is altijd blijven sluimeren.

Het is vijftig jaar later en ik zit in mijn atelier met vóór me een leeg vel papier en een scherp geslepen potlood. Nu heb ik mijzélf een opdracht gesteld: maak een woordloze strip over Joachim Kniepstof en teken alles in zwart-wit. Werk zonder draaiboek of een script. Laat je verrassen door het verloop van de beeldsequenties en hoe je personage zich ontwikkelt. Eenmaal begonnen, blijkt al snel dat Joachim Kniepstof eerder leidmotief dan protagonist wordt: een ongrijpbaar wezen dat verschijnt en verdwijnt en zelfs van uiterlijk verandert. Alleen aan zijn karakteristieke hoed blijft hij herkenbaar. Andere wezens eisen hun plaats op in de tekeningen.

De beelden verdringen zich in mijn hoofd. Het lijkt alsof ze niet ontspruiten uit mijn fantasie, maar voortkomen uit een verborgen werkelijkheid waar ze altijd al bestonden. Ik worstel om ze op papier te krijgen, werk uit, stileer, vereenvoudig. Tot mijn verbazing herken ik archetypen, symbolen en voorstellingen die ook in mijn andere werk voorkomen: eieren, slangen, olifantvissen, de vogel Feniks, de Toren van Babel, ladders, vulkanen, luchtballonnen… Ook het gegeven van de Shoah, sluipt de tekeningen binnen. De associatieve beelden die zo ontstaan volgen een eigen logica: verloop en ontwikkeling blijven ook voor mij onvoorspelbaar en verrassend. De onderlinge samenhang is niet of nauwelijks in woorden te vatten, als in dromen, hallucinaties en nachtmerries…

Joachim Kniepstof is dus niet de stripfiguur geworden die ik in mijn academietijd voor ogen had. Wat je in dit boek ziet, is een bizarre aaneenschakeling van beelden over een verstokt slaapwandelaar, een dromer, hopeloos verdwaald in een absurde en verontrustende wereld.

Welkom in het raadselachtige universum van JOACHIM KNIEPSTOF!

 

Frapor over zijn eerste ontmoeting met Joachim K.

Het is nu alweer meer dan een halve eeuw geleden. Ik was twintig jaar, student aan een gerenommeerde kunstacademie en liefhebber van strips. Tijdens een studiebijeenkomst waarbij ook aspirant striphelden waren uitgenodigd, raakte ik in gesprek met een sympathiek ogende, maar wonderlijk uitgedoste jonge vent die zich voorstelde als Joachim Kniepstof. Nee, een held was hij zeker niet liet hij meteen al weten. Eerder een dromer, een fantast, zo een die zich het liefst als een roeier in een boot zonder riemen laat meevoeren op de stroom van zijn verzinsels. Geen held dus, maar wel ijdel genoeg om de hoofdrol te ambiëren in een door hem zelf bedacht beeldverhaal. Of ik misschien interesse had… Ik aarzelde even… “Oh, maar het gaat heus niet alleen over fabeldieren en luchtkastelen” vervolgde hij snel, “Denk eens aan het grillige verloop van zo’n woeste rivier met al die gevaarlijke bochten en stroomversnellingen en dan ineens, de diepe afgrond, dat monsterlijke ravijn waarin al die weerloze schepsels moeten verdwijnen. Snap je? Het is niet alleen maar fictie. We leven in een mooie, maar meedogenloze wereld, ik hoef jou niets te vertellen…” Ik glimlachte. Toen pakte hij mij bij de arm: “Kom eens even mee naar het raam, zie je dat grote zwarte gat daarboven in de lucht? Weet je, er zijn dingen die je gewoon niet voor mogelijk houdt, zó verschrikkelijk, en die toch gewoon gebeuren…”

Hier onderbrak ik Kniepstof. Ik moest nu eerlijk zijn en zei: “Luister, je verhaal is erg interessant en je brengt het goed, maar ik werk nooit naar een script en bovendien heb ik net besloten deze academie te verlaten. Ik ga de muziek in, ik word componist. Ik heb al grootse plannen voor een magistraal muziekstuk: een psychedelische opera in zeven bedrijven, met een zingende zaag en elektrische gitaren. Je zult er nog van horen. Maar ik wens je natuurlijk veel succes met je verdere carrière.”

Joachim keek mij een moment zwijgend aan, knikte toen en tikte even met zijn hand tegen de rand van zijn hoed. “We spreken elkaar nog wel” was het laatste wat hij zei voordat hij uit zijn kader stapte en in de witte leegte verdween.

Reactie van een briefschrijver

Het is merkwaardig, maar ik herinner mij helemaal niets van de studiebijeenkomst die de auteur van het boek over Joachim Kniepstof noemt. Als medestudent en jaargenoot van Frapor zou ik daar weet van moeten hebben gehad. Ik vind het eerlijk gezegd ook een beetje een raar verhaal. In mijn beleving was die kunstacademie toentertijd een deftig en aartsconservatief instituut. De gedachte alleen al dat men zich zou hebben ingelaten met zoiets banaals als comics is op zijn zachtst gezegd twijfelachtig. In die periode maakte de Pop-Art furore maar daarover werd op die academie niet gerept. De hoogleraren in de kunst waren nog bezig de klappen te verwerken die Marcel Duchamp en de dadaisten een halve eeuw tevoren hadden uitgedeeld. Sommigen hadden zelfs nog moeite Vincent van Gogh als belangrijk kunstenaar te accepteren.

Ik zou niet meteen willen suggereren dat Frapor dat hele verhaal van die aspirant striphelden uit zijn duim heeft gezogen, maar vreemd blijft het wel. Wat ook al niet erg geloofwaardig overkomt is de mededeling aan het eind als zou Frapor de beeldende kunst vaarwel hebben gezegd om zich verder aan de muziek te wijden. Ik heb nooit een opera of welk muziekstuk dan ook van hem ooit ergens gehoord of horen noemen. Ik vermoed dat hij dit gewoon ter plekke heeft verzonnen om van die Kniepstof af te komen. Dat deze daarna ineens, als bij toverslag verdwijnt en ter plekke oplost in het niets is in elk geval grote onzin. Het is daarom geen wonder dat kwade tongen nu beweren dat die Joachim Kniepstof helemaal niet bestaat en dat niet hij, maar zijn schepper, Frapor hier de grote fantast is.

Garabeth Gobian, Almerdam

 

Over de naam Kniepstof

Door professor Herman Piloott

Het is algemeen bekend dat de familienaam Kniepstof nergens ter wereld voorkomt en dus eigenlijk niet bestaat. Desniettegenstaande wordt er nog altijd dagelijks heftig discussie gevoerd over herkomst en betekenis van die naam.

De ene groep mensen is er van overtuigd dat Joachim kort na zijn geboorte zijn achternaam niet goed heeft verstaan. Er zou juist op het moment dat die bekend werd gemaakt, een goederentrein zijn langs gereden. Vermoedelijk was dat een stoomlocomotief gevolgd door een lange rij wagons, volgeladen met briketten en eierkolen onderweg naar ‘Het Beloofde Land’, een etablissement dat in die tijd zeer in trek was onder de plaatselijke bevolking en waar ook de ouders van Joachim graag vertoefden. Dus geheel onwaarschijnlijk is deze theorie niet.

Een andere groep gelooft dat de achternaam Kniepstof gewoon door de pasgeborene zelf is bedacht. De familienaam Kniepstof bestaat immers niet en dus had Joachim ook geen ouders aan wie hij die naam kon ontlenen. Deze groep vormt echter een minderheid en met recht: een baby verzint nu eenmaal niet zijn eigen naam.

Ook etymologen zijn verdeeld over de kwestie. Er zijn er bij die menen dat de naam Kniepstof een verbastering is van de uitroep kniesjtoi! wat in het oud-Bargoensch zoveel betekent als wat zullen we nu krijgen? Volgens andere taalvorsers zou kniepstof een samentrekking zijn van de inmiddels in onbruik geraakte uitdrukking: dat is geknipte stof, (tegenwoordig spreken we van gesneden koek). Ik ben zelf geneigd te zeggen: so what? Mocht de naam Kniepstof oorspronkelijk de betekenis hebben gehad van zo klaar als een klontje, een kind kan de was doen, of daar lusten de honden geen brood van: Wat doet dat er toe? Wie kan het eigenlijk wat schelen?

Herman Piloott is gepensioneerd bakker en als freelance hoogleraar antropologie verbonden aan de universiteit van Navel op Loweyde.

Reactie van Frapor

Kniepstof is een onomatopee of klanknabootsing en ontstond in de lente van 1967 als gevolg van het kraken van een plank in de vloer van mijn toenmalige studentenkamer. Bij het indrukken klonk het: ‘knièp….’ bij het terugveren: ‘ztóv….’

Iets over de persoon Joachim Kniepstof

Door Agaath Vaelsch van Berghaudt (geen familie van)

Over de controverse rond de oorsprong van de naam Kniepstof heeft elders op deze pagina onze erudiete mederedacteur professor Herman Piloott al uitgebreid zijn zegje gedaan. Aan mij nu als eenvoudige huisvrouw in ruste de eer iets te vertellen over de heer Kniepstof zelf.

Om te beginnen wil ik graag kwijt dat ik die Kniepstof niet echt goed ken, dat wil zeggen, ik heb hem slechts éénmaal ontmoet en dat was stomtoevallig ergens buiten op straat, terwijl ik de hond uitliet. Ik was onderweg naar het gemeentepark, het zal een uur of negen, half tien in de ochtend geweest zijn, een zondagmorgen wel te verstaan, en dus nog lekker rustig. Ik bedoel, er waren wel al wat buurtgenoten op de been met hun huisdier aan de lijn, maar er was nog weinig verkeer. Daarom herinner ik mij zo duidelijk dat er een motorrijder langs reed met waarschijnlijk een flinke scheur in zijn knalpot, want wat maakte die een herrie zeg! Geen wonder dat ik gelijk in gesprek raakte met een straatveger die zijn grote herdershond alvast los had gelaten omdat de ingang van het park in zicht was gekomen. Het bleek dat ook hij zich danig ergerde aan het oorverdovende lawaai en wij waren het beiden roerend eens dat zoiets op een doordeweekse zondagochtend toch geen pas gaf. “Je zou zo iemand toch gewoon toewensen dat hij met motor en al een garage binnenreed om daar zijn uitlaat te laten repareren” brieste mijn gespreksgenoot. Ik knikte en wilde juist vragen of de straatveger ooit wel eens zelf zo’n luidruchtige machine had bereden. Ik zag hem in gedachten al zitten met zo’n vooroorlogse pothelm op zijn hoofd en een grote, geel getinte beschermbril over de ogen terwijl Herta naast hem in de zijspan op een sappig bot zat te kauwen. Maar ineens werd mijn aandacht getrokken door een wandelaar zònder hond. Zo één waarvan je in een fractie van een seconde weet: dat is bepaald géén hondenliefhebber! Waaraan je dat ziet is moeilijk te zeggen, misschien iets in de manier van lopen. Zo’n parmantige tred die uitdrukt: Kijk mij eens, ik ben een beschaafde tweepoter, ik draag een hoed, spreek met twee woorden en heb mij vanochtend nog met zeep gewassen. Zo iemand kijkt neer op honden, dat voel je, dat ruik je. Normaal spreek ik zulke mensen nooit aan en ik weet ook niet wat mij die ochtend precies bezielde, maar ineens hoorde ik mijzelf de voorbijganger toebijten: “En u rijdt zeker óók nog motor hè?” Tot mijn verbazing antwoordde hij gelijk: “Nee hoor, ik ben alleen wat bang voor honden. Ik ben ooit vroeger als kind door zo’n beest te grazen genomen, zomaar ineens, van achteren, zonder aanl

eiding. Dat monster had zijn tanden diep in mijn kuit gezet en wilde niet meer loslaten”. Ik zweeg. “Dat komt natuurlijk omdat die hond voelde dat je een aversie tegen hem had” dacht ik stiekem en ik had al spijt dat ik een gesprek was begonnen. Ik had beter moeten weten: met zulke types valt nu eenmaal niet te praten, dat is bekend.

Pas onlangs begreep ik dat dit Joachim Kniepstof moet zijn geweest. Ik wist toen nog niet wie dat was, maar ik herkende hem gelijk door die rare hoed. Die draagt hij ook steeds in dat merkwaardige boek van hem. Ik had het laatst zien liggen in de etalage van mijn favoriete boekwinkel, hier om de hoek. Uit nieuwsgierigheid was ik het binnen even gaan inkijken. Ik moet zeggen, ik begrijp er niet veel van maar de plaatjes zijn mooi getekend.

Enfin, dat was dus mijn ontmoeting met Joachim Kniepstof. Ook al was het genoegen niet onverdeeld, dat ik zo snel boven water wist te krijgen dat die Kniepstof een uitgesproken hondenhater is… nou, daar ben ik toch eigenlijk best wel een beetje trots op.

Agaath Vaelsch van Berghaudt (ongehuwd moeder van drie kinderen) is de schrijver van twee bestsellers: “Dol op hond – Hondsdolheid is geen ziekte” en “Hoe richt ik mijn hond humaan af,” tevens is zij oud-voorzitter van de Bond tegen Hondenbont.

Wat wil Joachim Kniepstof?

door Jan Willem Fluyster

Joachim Kniepstof wil graag iets vertellen over de allerlaatste ontwikkelingen van de bijziende aardappelverkoper in de gezondheidsdienstdoende vrijwilligersvereniging, ook wel Snuitje geheten. Snuitje is pas zeventien en een half jaar oud en weet van wanten als geen ander in dit weerbarstige uitgeversvak. Maar daarvoor heeft zij dan ook een opleiding afgerond die menigeen al in een heel vroeg stadium voor gezien zou hebben gehouden. Het aloude gezegde dat veel steenkoolgruis, althans in de ogen van de blinde doofpot, de ketel verwijt zwart te zien, doet hier zeker opgeld. Het is daarom opmerkelijk dat er nog zoveel licht door de kier naar binnen valt zonder acht te slaan op het minzame gepeupel buiten de schuurdeur.  Weinigen zullen dan ook oog hebben voor de onweerlegbare overeenkomst tussen de kanariepiet in de steenkolenmijn en het overbekende lucifersdoosje waarop drie zwaluwen staan afgebeeld. Liever brood dan kolengruis zal men nu zeggen, maar dat neemt niet weg dat de wilskracht waarmee de buitenlander tegenwoordig hier in dit land zich staande weet te houden, bij velen respect afdwingt.

Kort samengevat komt het er op neer dat er nog een stevig touw valt vast te knopen aan de buitenboordmotor van onze welvaartsstaat, om het maar eens poëtisch te zeggen. Dus, als de locomotief uiteindelijk is aangekomen op de plaats des onheils, is daarmee de zaak meteen weer goed op de rails gezet.

Jan Willem Fluyster is dichter en winnaar van De Prijs van Het Jaar, 2013

Kniepstof en de volle maan

Door Kinjal P.Maheta, Jamnagar, India 1998
(uit het Gujarati vertaald door Evert Wosz, 2017)

Joachim Kniepstof zit aan zijn tekentafel en werkt zijn dagboek bij. De afgelopen weken zijn vermoeiend geweest, van schrijven is niet veel gekomen. Het liefst zou hij nu naar bed gaan. Liggen, slapen, dromen desnoods. Maar hij schrijft door, ook al zoemt zijn hoofd als het spreekwoordelijke transformatorhuisje in de stromende regen aan de overkant van de straat. Het loopt tegen middernacht en een eindje verderop in de kleine haven ligt de bescheiden vloot vissersboten klaar om uit te varen, de nacht in, de zee op, de volle maan tegemoet.
Joachim koestert de wirwar van schijnbaar onsamenhangende gedachten, evenals de veelheid aan zinloze vragen die bij hem opkomen, zoals: “Waar gaat dit over”?” en “Welke kant moet dit op?” en “Is het allemaal wel waar?”. Hoeveel mensen beseffen tegenwoordig nog hoe moeilijk het is om je als een stuk wrakhout drijvende te houden tussen zeewier en schelviskoppensnellende inboorlingen uit lang vervlogen tijden, terwijl een bende wegpiraten voortraast over de hobbelige keien van de kade, met achter op de bagagedrager van de fiets een bundel vergeelde zeekaarten bijeen gehouden door stevig aangespannen snelbinders?
Aan veel dingen in het leven wordt door menigeen maar al te vaak lichtvaardig voorbij gegaan. Het is nu eenmaal zo dat als het even tegen zit, er weinig interessants valt te melden over een Normandisch kustplaatsje als St. Valery-en-Caux en de beslommeringen van een doorgewinterde visverkoper in zijn stalletje aan de boulevard langs het brede kiezelstrand aldaar. Jazeker, de krijtrotsen zijn er indrukwekkend en het witgekalkte vuurtorentje aan het einde van de korte pier heeft charme, maar dat neemt niet weg dat het alweer meer dan anderhalve eeuw geleden is dat in datzelfde havencafe waar nu koffie en thee wordt geschonken, de laatste Engels sprekende zeemeermin (of wat daarvoor werd aangezien) in ronkende taal een kwade dronk uitbracht op het vermaledijde smokkelaarsnest Polperro aan de overzijde van Het Kanaal. Daar in Cornwall had zij – naar eigen zeggen – haar hele fortuin verloren nadat de zwarte markt ineens was ingestort met als gevolg een dramatische afname van de vraag naar vlijmscherp geslepen scheermesschelpen, harpoenen van verdronken walvisvaarders en scheepsankers bekleed met zeeëgelbond.

Joachim leunt achterover, leest terug wat hij heeft geschreven, staat dan op, loopt naar het raam en ziet in de verte nog net de laatste lichtjes van de vissersvloot vervagen aan de horizon. “Het klopt allemaal” constateert hij tevreden: “ik heb niets verzonnen, het regent nog steeds pijpenstelen en de maan is vol”.

Kinjal P. Maheta (Rajkot 1961 – Parijs 2013) was kunsthistorica, romanschrijver, dichter en publicist. Van 2009 tot haar vroegtijdige dood in 2013 runde zij samen met Vosdanik Erzerian de befaamde IDLI Gallery in Rouen, Frankrijk.

 

Deze strip van vijf blokjes was in 1968 de allereerste aanzet tot mijn beeldverhaal JOACHIM KNIEPSTOF 

TERUG